Lea Meyer is gelukkig, haar man
Harry adoreert haar, brengt het geld met bakken binnen en is, net als Lea zelf, dol op seks. Kortom; Lea’s leven is perfect, totdat
Harry zegt dat hij een kind wil. De bevalling van
Harry Junior is een uitputtingsslag. Lea’s onverslaanbare humor en optimisme leggen het af tegen het natuurgeweld. Terwijl
Harry een intens gelukkige
vader is, voelt Lea geen enkele band met de baby. Ze krijgt waanvoorstellingen, zakt weg in een psychose en wordt verplicht opgenomen. Aanvankelijk steekt ze de draak met de psychiater, met de therapie en met ‘de gekken’ om haar heen. Maar gaandeweg ontdekt ze dat haar medepatiënten mensen zijn met hele herkenbare emoties en dat er, onder haar onaflaatbare poging van alles een grap te maken, een hoop onverwerkt verdriet schuilt.